Principe 2: Agro-ecologische productie bouwt op diversiteit
[door Jan Hilbert en Jesse]
Agro-ecologisch produceren van voedsel
Principe 2 gaat over de dagelijkse praktijk van ons werk. Wat doen we bij Kansrijk nou precies, van dag tot dag, dat anders is dan de industriële landbouw? De tekst die bij dit principe hoort, beschrijft dit heel duidelijk:
‘De productiepraktijken van agro-ecologie (zoals vruchtwisseling, combinatieteelt, de integratie van gewassen, bomen, vee en vis, gebruik van bemesting en compost, lokale zaden en dierenrassen, enz.) zijn gebaseerd op ecologische principes (zoals het opbouwen van bodemleven, het recycleren van voedingsstoffen, het dynamisch beheer van biodiversiteit, en energiebesparing op alle schaalniveaus).’
Voor ons betekent dit dat we in onze manier van voedsel produceren zoveel mogelijk met de natuur meewerken. We maken gebruik van bestaande natuurlijke processen, die we in het beste geval versterken en in ieder geval niet te veel verstoren.
Stap 1: Biologisch telen
Met de keuze om gecertificeerd biologisch te telen, zetten we al een behoorlijke stap. Je sluit dan het gebruik van chemische middelen (zowel kunstmest voor het ‘voeden’ van de plant als landbouwgif om plagen te bestrijden) helemaal uit. Dit zijn twee duidelijke voorbeelden van de keuze om met natuurlijke processen mee te werken in plaats van ingrijpen in natuurlijke processen met externe inputs.
Gangbare landbouw gaat om controle: natuurlijke processen laten zich minder goed ‘controleren’ door de mens. Daarom lijken kunstmest en ‘gewasbeschermingsmiddelen’ (a.k.a. landbouwgif) misschien een goed idee. Maar beide hebben desastreuze gevolgen voor de lange termijn. Kunstmest maakt het bodemleven langzaam dood, waardoor de bodem van een levende bron verandert in een levenloos substraat om planten in te zetten. En gewasbeschermingsmiddelen ‘beschermen’ misschien die ene kool- of wortelsoort, maar doden juist de insecten, bacteriën en schimmels die in een natuurlijk systeem elkaar in balans houden en zo plagen bestrijden. Om nog maar te zwijgen over hoe vervuilend de productieprocessen van deze externe inputs zijn.
Een andere belangrijke eis voor biologische telers: we werken niet met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). Bij GGO’s wordt er in het DNA van de plant geknipt, om een bepaalde eigenschap te bereiken. Vaak gaat dit om weerbaarheid tegen plagen of ziektes. Ook hier kiezen we voor natuurlijke processen boven controle. We maken gewassen weerbaar via bodemgezondheid, vruchtwisseling en natuurlijke bestrijdingsmethoden, in plaats van via kunstmatige DNA-aanpassingen. En we telen zo divers mogelijk, zodat een ziekte of plaag in één teelt geen grote problemen oplevert.
Maar met alleen biologisch telen ben je er nog niet. Want wat zijn dan die alternatieve productiepraktijken die met de natuur meewerken? Laten we een aantal van de dingen die we bij Kansrijk doen, wat verder uitlichten.
Bemesting
Door de groenten die we van het land halen en opeten, voeren we heel veel voedingsstoffen af. Als we die niet op de een of andere manier terugbrengen, putten we de bodem langzaam uit. Als we geen kunstmest gebruiken, wat dan wel?
Bij Kansrijk doen we onze bemesting via twee hoofdonderdelen. Allereerst gebruiken we koeienmest van een biologische melkveehouder uit Westbroek. Deze mest komt uit een zogenaamde ‘potstal’, waar koeien op een dikke laag stro staan. Dit stro neemt de urine en poep op en zorgt ervoor dat de stikstof in de mest wordt gebonden. Hierdoor spoelt de stikstof, eenmaal op ons land, niet zo snel uit, maar voedt de mest het bodemleven. Het is langzaam werkende mest. En de bron van deze mest ligt op nog geen 7 kilometer afstand van de tuin.
Het tweede hoofdonderdeel is compost. Een groot deel van het op de tuin vrijkomende plantmateriaal verwerken we tot compost. Door stikstofrijke bronnen (gewasresten, maar ook onkruid) en koolstofrijke resten (bv houtsnippers, bonenstro of gedroogd riet) te mengen en te keren, binden we de mineralen in de compost. Zo ontsnappen er zo weinig mogelijk stoffen uit de kringloop. Want wat je niet kwijt raakt, hoef je ook niet aan te voeren van buiten! Naast de mest en de compost, werken we ook met groenbemesters. Dit zijn bijvoorbeeld de winterrogge en Japanse haver die we aan het einde van ieder seizoen op de bedden zaaien.
En de grote ‘missing link’ in deze kringloop is natuurlijk… jouw poep! Eigenlijk zouden we dus weer terug moeten naar een systeem, waar de menselijke poep teruggebracht wordt in de kringloop. Zoals onze voorouders duizenden jaren gedaan hebben! Dan kunnen alle kunstmestbedrijven opdoeken en kunnen we met heel wat minder koeien af in Nederland :). Voor onze eigen excrementen zouden we wel een aparte kringloop nodig hebben. Direct ermee bemesten is niet zinvol. Niet zozeer vanwege ziektes, maar omdat we dan een soort ‘kortsluiting’ creëren. Kringlopen in de natuur functioneren in meerdere stappen en met verschillende organismen en metabolismen.
Bodembewerking en bodemleven
In de industriële landbouw wordt de bodem gebruikt als een dood substraat, waar je allerlei externe inputs aan moet toevoegen om planten groot te brengen en in leven te houden. Daarom heeft ‘big agro’ ook geen enkele moeite met het vervangen van de bodem door bijvoorbeeld te telen op water, steenwol of kokosvezel (bv. bij vertical farming).
Maar voor de agro-ecologie is de bodem de kern. In plaats van het direct voeden van de plant (met kunstmest of snelwerkende meststoffen zoals drijfmest of gier) voedt je ‘indirect’ de plant. Met onze manier van bemesten (structuurrijk, met veel organisch materiaal), voedt je het bodemleven, dat vervolgens weer de plant voedt. Zo onderhoud je een bodemleven, dat naast het voeden van de plant ook zorgt voor een goede structuur van de grond en daarmee een goede afwatering. Ten slotte concurreert een divers bodemleven ook met schadelijke bacteriën en ziekteverwekkers, waardoor de kans op plantenziekten aanzienlijk afneemt.
Het bewerken van de grond is daarbij een belangrijk punt: noodzakelijk in de landbouw, maar ook verstorend voor het bodemleven. Hierin moeten we constant een balans vinden. Bij Kansrijk doen we daarom niet aan kerende grondbewerking (zoals ploegen), bewerken we de bodem zo ondiep mogelijk en proberen we waar dat kan het werken met de trekker te vervangen door menskracht!
Vruchtwisseling
Agro-ecologische praktijken bouwen op diversiteit. Een van de belangrijkste middelen die we daarin tot onze beschikking hebben, is de vruchtwisseling. Verschillende plantenfamilies hebben allemaal hun eigen kenmerken. Ze verhouden zich op een bepaalde manier tot de bodem en hebben heel veel of juist vrij weinig voedingsstoffen nodig. Ze trekken bepaalde plaagdieren aan, of ze zijn juist een thuis voor belangrijke bestuivers of natuurlijke vijanden. Het idee achter de vruchtwisseling is dat, door een bepaalde plantenfamilie ieder jaar op een andere plek te zetten, er niet snel van iets te weinig (voedingsstoffen) of teveel (bepaalde ziektes of plagen) op een plek in de tuin kan komen.
Bij Kansrijk is de vruchtwisseling op het grootste stuk land (‘de akker’) 1 op 8. Dat betekent dat een plantenfamilie slechts 1x per 8 seizoenen op dezelfde plek staat. En een van die 8 jaar krijgt de bodem rust. Dan wordt er het hele jaar niets geteeld op die plek, maar mag de bodem even bijkomen onder een dekentje van gras en klavers. Al die vakken, die ieder jaar van plek veranderen, zijn dus niet om onze oogst-leden te pesten. Ze zorgen ervoor dat we de bodem in optimale conditie houden!
Divers natuurlandschap op de tuin
Ten slotte spelen ook de onderdelen van de tuin die niet direct voor groenteteelt bedoeld zijn, een belangrijke rol. Te beginnen met alle landschapselementen. Jan en Floor hebben, al ver voordat zelfoogsttuin Kansrijk een feit was, de 2 hectare die het perceel omvat zo divers en natuurvriendelijk mogelijk proberen in te vullen. Met verschillende poelen (zowel naast de boomgaard als achterin) en struweel aan de randen van het perceel. Dit om vogels, kikkers en (water)insecten een plek te geven op de tuin. Ook oevers van de sloten aan de rand van het perceel, die van heel steil en smal naar breder en flauwer zijn omgevormd, dragen hieraan bij.
Dan is er de boomgaard. Hier staan niet je gangbare rassen appels en peren, maar juist oude fruitboomrassen. Dat is een keuze gericht op het behoud van diversiteit en daarmee behoud van veerkracht van het systeem als geheel. De bloei helpt met het aantrekken van bestuivers. En last but not least bieden de pruim en linde recht tegenover de kapschuur heerlijke schaduw in de warmste tijd van het jaar!
Ten slotte willen we hier ook kort het voorbeeld van gebruik van snoeihout als voorbeeld noemen. In het struweel op de tuin wordt aan het einde van het jaar flink gesnoeid. Al dit hout verdwijnt niet, maar wordt versnipperd en op verschillende plekken teruggebracht: als houtsnipper op de paden bij de aardbeien, of bijvoorbeeld als koolstof-component in het maken van goede compost. Zo verrijken we de Kansrijk-bodem met lokaal materiaal en besparen we energie op verschillende niveaus. Al dit soort elementen maken Kansrijk steeds sterker, rijker en lokaler.
Wat kunnen we nog verbeteren?
Ten slotte een aantal zaken die we de komende jaren nog zouden willen verbeteren. Bij het graven van verschillende proefkuilen komen we de afgelopen jaren niet zoveel wormen tegen. Terwijl de verschillende wormsoorten met hun vertering van organisch materiaal juist zorgen voor een vruchtbare bodem met een goede structuur. We moeten goed onderzoeken hoe we onze bodem een nog aantrekkelijkere plek kunnen maken voor de wormen.
Een ander element dat daarmee te maken kan hebben, is de (mechanische) bewerking van de bodem. Wormen slaan simpelweg op de vlucht wanneer er in de bodem geroerd wordt. Hoe beperken we zoveel mogelijk de bewerking van de bodem, en hoe zorgen we ervoor dat, wanneer we de bodem bewerken, we dat op een zo extensief mogelijke manier doen.
Ook het verminderen van externe inputs staat op dit lijstje. Hoewel we in vergelijking met de industriële landbouw al een stuk minder afhankelijk zijn van externe inputs zoals kunstmest en landbouwgif, valt er nog een hoop te verbeteren. Zo vervangen we geïmpregneerd hout van de palen voor de bonenrekken met veel duurzamer hout van robinia of tamme kastanje. En nu we steeds meer weten over microplastics, bijvoorbeeld, kunnen we bv. de bodembedekking van de aardbeien of onze compostdoeken misschien beter vervangen door alternatieve materialen.
Ook op het lijstje van externe inputs, ten slotte, staat ons plantgoed. Waar we een deel van het plantgoed al helemaal zelf opkweken (tomaten, paprika’s, pompoenen, courgettes, bonen, bijna alle kolen, maïs), zijn we voor een deel nog steeds aangewezen op een groot bedrijf voor bv onze sla, venkels, groenselderij en spitskolen. Dat gaat prima, totdat een ‘too big to fail’ bedrijf ineens omvalt, zoals met Jongerius gebeurde afgelopen oktober. Een deel van het antwoord ligt in meer zelf opkweken. Daarvoor richten we op dit moment de infrastructuur in (opkweektafel, eb- en vloedtafels, kiemkast, etc.). En ook zou het geweldig zijn om gebruik te kunnen maken van een regionaal opkweekbedrijf, het liefst in coöperatieve vorm. Dan behoud je de effectiviteit van een gezamenlijke opkweek, maar spreid je het economische risico beter.